Hoe Mozart een winkelgalerij veranderde in een spirituele tempel

Wolfgang Amadeus Mozart schreef zijn Ave verum corpus (KV 618) voor zijn vriend Anton Stoll die muzikaal assistent was in de parochie van Baden in de buurt van Wenen. Het werd geschreven om het feest van Sacramentsdag te vieren. Het autograaf is gedateerd op 17 juni 1791. Het gehele stuk omvat slechts 46 maten en is geschreven voor koor, strijkers en orgel. Mozart schreef het werk tijdens het schrijven aan zijn opera Die Zauberflöte en bij een bezoek aan zijn vrouw Constanze die zwanger was van hem en hun zesde kind droeg. Hij schreef het 6 maanden voor zijn dood.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ave_verum_corpus

Zou Wim Sonneveld nu nog succes (mogen) hebben?

Sinds onze prilste jeugd bewonderen wij Wim Sonneveld en voelen ons – bij elke “conférence” overtuigde Groot-Nederlanders. Waarschijnlijk zijn wij een uitstervende generatie… niet alleen wat betreft de waardering voor het meesterlijk bespelen van de Nederlandse taal.

Hoeveel zou er omwille van het huidige politiek-corrrecte dwangbuis in zijn teksten geknipt moeten worden?

Waar is der vaadren fierheid heen gevaren?*

… ging er door ons hoofd toen we een vergelijking maakten met een voormalige burger’vader’ der Sinjorenstad en de huidige burge’meester’.

En we willen in dit verband graag verwijzen naar een 11 julitoespraak van Lode Craeybeckx in het jaar 1954. We knippen er dit citaat even uit:

“… Indien het Vlaamse volk zo tientallen jaren weerstand geboden heeft aan een regime waarvan aard en de bedoeling was ons volk tot verwording en verlies van eigen wezen te brengen, heeft de ervaring bewezen dat onverwoestbare krachten ons volk voor de ontbindende elementen immuun hebben gemaakt.

Beter dan vroeger beseffen wij vandaag dat het de grondig verankerde kultuurinstincten van ons volk zijn, waaraan wij te danken hadden dat de eigenheid van Vlaanderen niet teloor is gegaan.

Grondslag dan van de levenskracht van ons volk, dat in het verleden op één der grootste kulturen van het Europese vasteland mocht roemen, is vandaag nog in onze volksgrootheid op de waarde van de geest gevestigd. Als hoogste uitbloei der Vlaamse beweging, beschouwen wij het essentiële werk dat nu aan de orde komt: de opgang van de hogere vormen van beschaving in onze gewesten…”

We vragen ons af wat Lode Craeybeckx nu, anno 2021, in een 11 julitoespraak zou gezegd hebben… over “een regime”, over “het verlies van eigen wezen”, over “ontbindende elementen”, over “kultuurinstincten” die nu in schabouwelijk Engels uitgedrukt worden, over “de opgang van de hogere vormen van beschaving in onze gewesten”

Ach, Lode Craeybeckx heeft nooit kunnen vermoeden welke “opgang van hogere vormen van beschaving in onze gewesten” aangewaaid is gekomen…

Jan Huybrechts herdacht de geliefde burgervader in onderstaande beschouwingen:

Op 25 juli 1976 – gisteren 45 jaar geleden – overleed in Antwerpen Lode Craeybeckx. Craeybeckx, die de langst zetelende burgemeester ooit van Antwerpen was geweest, was een socialistische politicus met een uitgesproken Vlaamsgezind profiel.

Niet echt verwonderlijk want in zijn jeugdjaren was hij een van de leidinggevende jonge activisten in de Scheldestad geweest. Een radicaal engagement dat hem na de Wapenstilstand een veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf opleverde. Straf, waarvan hij effectief twee jaar en twee maanden heeft uitgezeten en waarbij hij -aanvankelijk- voor twintig jaar zijn politieke rechten kwijtspeelde.

In mijn vorig jaar verschenen biografie van Herman Van den Reeck belichtte ik uitgebreid de rol die Craeybeckx tijdens de Grote Oorlog gespeeld had want hij was goed bevriend geweest met de iets jongere Van den Reeck, die op 11 juli 1920 op de Grote Markt van Antwerpen dodelijk gewond werd bij een uit de hand verboden Guldensporenviering. Hieronder volgt de tekst van het kaderstukje ‘“Idealisme in ’t teken der ontvoogding’ – Van Johanneskring tot Jeugdgemeente’ uit dit boek:“

Medio 1918 werd Herman Van den Reeck erg actief in de door Lode Craeybeckx opgerichte Jeugdgemeente. Deze vereniging van hoofdzakelijk vrijzinnige jonge Antwerpse intellectuelen was niet zomaar uit de lucht komen vallen maar was in feite, qua werking geïnspireerd op de een paar jaar eerder eveneens door Craeybeckx bezielde Johanneskring. Omstreeks de eeuwwisseling zag men in heel Europa jongerenbewegingen ontstaan die pleiten voor een terugkeer naar de natuur en een herstel van de, door de snel om zich heen grijpende industrialisering, bedreigde menselijke waarden. Ze zagen de harde en rauwe stad met haar onafzienbare straten en hun lange, eindeloos lijkende huizenrijen als een verstikkende gevangenis. Het benauwende van de grootstad was voor hen meer dan een louter ruimtelijke kwestie. Het was een metafoor voor de pijnlijke afhankelijkheid van de inwoners aan het stadsleven. De stad had hen in haar greep en er was geen ontkomen aan. Het enige alternatief was een radicale herbronning.

De Duitse Wandervogel-beweging was wellicht het bekendste voorbeeld van dit soort verengingen maar ook in de Lage Landen deden deze gedachten opgeld. Een ware cultfiguur in deze middens werd de Nederlandse zenuwarts en literator Frederik Van Eeden (1860-1932). Nadat Van Eeden aanvankelijk deel uitmaakte van de literaire esthetiserende vernieuwingsbeweging van de Tachtigers, brak hij met die groepering en na aanvankelijk met het anarchisme te hebben geflirt, ging hij een spiritueel socialisme nastreven dat concreet gestalte kreeg in de door hem opgerichte coöperatieve woongemeenschap Walden.

Deze idealistische tuinbouwcommune die in 1898 in Bussum werd opgericht ging echter overkop in 1907 na kennelijk wanbeheer en diefstallen door medewerkers…Van Eeden verwierf vooral literaire roem met zijn novelle De Kleine Johannes (1885) en zijn roman ‘Van de koele meren des doods’ (1900).

De Kleine Johannes, in feite een sterk autobiografisch gekleurd wordingsverhaal in sprookjesvorm kende een enorm succes in binnen– en buitenland. Veel zoekende jongeren in Vlaanderen voelden zich aangesproken door de wonderlijke ontmoeting van Johannes met het elfje Windekind, die Van Eedens jeugdliefdes en religieuze onzekerheden weerspiegelde. Net zoals de kleine Johannes zagen ze de gemaaktheid in de gezichten van de bourgeoisie en het gekunstelde van hun gebaren. Heel af en toe zagen ze de ijdelheid, jaloezie en verveling soms door het masker breken. Zij wilden komaf maken met deze valse wereld of zoals Van Eeden het zelf schreef: “Erger dan tirannie, dan onrecht, bloedstorting, oorlog, slavernij hun voorgangers griefde, grieft den poëet, den fijn georganiseerde van onze dagen, de afschuwelijke banaliteit, de walgelijke burgerlijkheid der groote menigte. Dit is zoo sterk dat hij het goede niet anders kan voelen in hoogmoed en trots, het mooie niet dan in verfijning, in distinctie, in zelfzuchtigheid, koel, rein individualisme.”

In het begin van 1914 verenigden een aantal jongeren die lid waren van de Vlaamsche Bond in het Antwerpse Atheneum zich in de Johanneskring. Deze kring, die overduidelijk geïnspireerd was door het literaire en sociale werk van Van Eeden, had niet alleen de bedoeling de ideeën van de schrijver in een zo breed mogelijke kring te propageren maar vooral ook om te gaan leven in een sfeer van ‘geestelijke zuiverheid’ en te streven naar een rechtvaardiger maatschappij.

De onbetwistbare sterkhouder van de Johanneskring werd Lode Craeybeckx. Op 18 mei 1914 had Craeybeckx samen met zijn kameraad Christiaan Barman een brief aan de door hen verafgode schrijver gestuurd waarin ze verklaarden gewonnen te zijn voor zijn ideeën.

Van Eeden ontving hen op 27 juli 1914 en, nadat hij zich vergewist had van de ernst van hun bedoelingen, raadde hij hen aan om hun werking te oriënteren op die van de Vrije Jeugdbond in Amsterdam. Deze Bond focuste zich op pedagogische vernieuwing en Van Eeden gaf hen zelfs een introductiebrief mee. De oorlog die een paar dagen later uitbrak verhinderde echter dat de ambitieuze Antwerpenaren nog contact kregen met de Vrije Jeugdbond.

De Johanneskring wierf langzaam maar zeker meer leden, onder meer door de samenwerking met de kring rond het tijdschrift Jonge Tijd dat sinds maart 1915 verscheen als publicatie van een handvol leerlingen van de Stedelijke Normaalschool voor Jongens. Na slechts negen nummers hield Jonge Tijd er mee op maar de werking van de Johanneskring werd met de komst van jonge intellectuelen als Ger Schmook, Rob Van Roosbroeck en de dichter Victor J. Brunclair versterkt of zoals Brunclair het later verwoordde: “Tegenover dweepzucht kwam te staan realiteitszin, dandy-perversiteit maakte front tegen puritanisme, bezadigde ernst en zuivere rede ontkrachtten de agitatorisch-begeesterden.”

Deze verruiming en verdieping van de Johanneskring leidde in januari 1916 tot de naamsverandering in Vlaamsche Kring. Het opzet ging echter verder dan louter een naamsverandering want in feite fusioneerde de Johanneskring met de restanten van de vroegere Vlaamsche Bond van het Atheneum, waarvan de activiteiten sinds het einde van 1915 verboden waren door de schooldirectie. De semi-illegale werking van de ontbonden Vlaamsche Bond ging dus gewoon, zonder dat prefect Loos zich hiermee kon bemoeien, in een ander jasje verder.

Op 2 januari 1916 organiseerde de Johanneskring in de zaal van het Kunstverbond in de Arenbergstraat een ‘symfonies konzert’ dat een groot succes werd. Het bracht genoeg geld in het laatje om ‘hun werking te verwijden’.

Alles ging daarna erg snel. Op het einde van diezelfde maand bracht Lode Craeybeckx op overtuigende wijze een referaat onder de noemer “Zwijgen of spreken”. Voor de aanwezigen was het duidelijk: Ze zouden gaan spreken. In de toekomst zou de werking van de Johanneskring gefocust worden op de Vlaamse kwestie. Een paar dagen later werd collectief de beslissing genomen de Johanneskring te herdopen in Vlaamsche Kring. Zonder dat het Atheneum met name werd genoemd – officieel verenigd deze Kring scholieren van verschillende Antwerpse onderwijsinstellingen – was het duidelijk dat dit een verkapte voortzetting van de verboden Vlaamsche Bond was.

Het bestuur bestond uit voorzitter Oscar De Smet, secretaris Edward Van Hemel en penningmeester Juul Van Bek, alle drie oud-bestuursleden van de Vlaamsche Bond. Toen ze al een paar maanden later besloten aan te sluiten bij Jong-Vlaanderen, een groep jonge radicale activisten die streefden naar een autonoom Vlaanderen, hield de Johanneskring in feite op te bestaan. Brunclair beschouwde de ‘jong ontslapen’ Johanneskring evenwel als de ‘hoeksteen’ van de in 1918 ‘doelmatig georganiseerde’ Jeugdgemeente. Maar er was wel degelijk een verschil en Brunclair bleef niet blind voor utopische karakter van de werking in de Johanneskring:

“Aanvankelijk, circa 1914-1915 maakte Van Eeden en met hem Emmerson en Carlyle onder de jongeren furore. Periode van reinlevenbeweging. Sturm-und-Drang, idealisme in ’t teken der ontvoogding, stroovuurflamingantisme. Als grondtoon toch in onze geesteshouding tegenover de buitenwereld, wies het besef aan de gebreken in de maatschappelijke orde, en in dit inzicht, aangedikt zoowel door proletarisch-gekleurde tendensliteratuur als spekulatief ethische, vervatte in kiem, dan ook de verzuchting naar een beter zijn, naar een toekomstwereld, meer door fantasie voorgespiegeld dan door realiteitszin onderworpen. Deze psychische terugwerking op de werkelijkheid, – of na grondig gewetensonderzoek, was niet veeleer onkieskeurig en onkritisch verslonden lektuur de hefboom ? – ontlaadde zich uitermate primitief. Tomeloze dweeperij met ideologieën, kultus des Utopia, humanisme vormden er schering en inslag van.”

*https://jmaadewilde.wordpress.com/2020/11/10/fierheid-albrecht-rodenbach/

Gewoon prachtig!

Lied Ansichtskarte / Postkarte In einem kühlen Grunde, | akpool.de

Das zerbrochene Ringlein

In einem kühlen Grunde
Da geht ein Mühlenrad
Mein’ Liebste ist verschwunden,
Die dort gewohnet hat.

Sie hat mir Treu versprochen,
Gab mir ein’n Ring dabei,
Sie hat die Treu” gebrochen,
Mein Ringlein sprang entzwei.

Ich möcht’ als Spielmann reisen
Weit in die Welt hinaus,
Und singen meine Weisen,
Und geh’n von Haus zu Haus.

Ich möcht’ als Reiter fliegen
Wohl in die blut’ge Schlacht,
Um stille Feuer liegen
Im Feld bei dunkler Nacht.

Hör’ ich das Mühlrad gehen:
Ich weiß nicht, was ich will —
Ich möcht’ am liebsten sterben,
Da wär’s auf einmal still!

Tekst gedicht: Joseph von Eichendorff

Muziek: Friedrich Glück

Bidden voor Libanon

Thought for the Day – 24 July – The Memorial of St Charbel of Makhluf –  AnaStpaul

Een rozenkrans voor Libanon. Vandaag, op de feestdag van de h. Charbel, een Libanese heilige, wordt het bidden van de noveen afgesloten en wordt op initiatief vanuit het Vaticaan internationaal een rozenkrans gebeden om 18.30 u. Na de ontmoeting van de paus met de christelijke gemeenschappen in Libanon (1.7.21) werd een internationale bidbeweging opgericht om vrede en redding af te smeken bij de Heer. Alle Libanezen in den vreemde worden opgeroepen gedurende 33 dagen de rozenkrans te bidden, op hetzelfde tijdstip, nl. 19.30 u (Rometijd), tot 4 augustus, trieste verjaardag van de explosie in de haven van Beiroet. Vanzelfsprekend kan en mag zich iedereen hierbij aansluiten.

Elke dag zal er op de speciaal hiervoor opgerichte webstek – www.33jours.com – een speciale intentie voorgesteld worden om Libanon uit de miserie te halen. Bv. het herstel van de economische en politieke situatie, of voor de armen, voor de medische zorgverleners, voor de kinderen. Kortom: het is een smeekbede voor een mirakel!

Vandaag, om 18.30 u Rometijd, feestdag van de heilige Charbel, zal de rozenkrans “live” uitgezonden worden vanuit Rome. U kan die d.m.v. onderstaande videoverbinding volgen.

Wie was nu die heilige Charbel? Volledige naam: Charbel Makhlouf. Gedoopt met de naam Youssouf Antoun (Jozef Antonius). Geboren op 8 mei 1828 te Beqaa Kafra, het hoogste dorp van Libanon. (Google kaart). Het dorp wordt quasi omringd door getuigenissen van het christendom: in het oosten Sint Hawchab (Eusebius), in het westen Sint Moura (Mar Moura) in het zuiden Sint Saba en in het noorden O.L.Vrouw. (zie video’s onderaan) En als kers op de taart het klooster, resp. begraafplaats-heiligdom van de H. Charbel.

File:Bekaa kafra location in lebanon.jpg - Wikimedia Commons

Zijn familie bestaat uit eenvoudige, gelovige, hard werkende mensen. Zijn vader is boer; een van diens zussen is kloosterzuster; daarnaast heeft hij nog twee ooms die monnik zijn. op 23-jarige leeftijd wil ook hij monnik worden. Bij het afscheid zou zijn moeder hem gezegd hebben: “Als je geen góede religieus wilde worden, zou ik zeggen: Jongen, kom naar huis. Maar ik besef nu dat de Heer je vraagt in zijn dienst. En in mijn verdriet van je gescheiden te zijn, doe ik een stap terug en zeg ik je: Moge Hij je zegen, mijn jongen, en een heilige van je maken.” Een moeders wens geschiedde…
Hij treedt toe tot het Maronitische Onze-Lieve-Vrouweklooster te Maifuq en neemt de kloosternaam aan van Charbel naar een heilige uit de eerste eeuwen van het christendom († 101; feest 29 januari).


Enige tijd later verhuist hij naar het verder afgelegen St-Maronklooster te Annaya. In 1851 legt hij zijn eeuwige geloften af en in 1859 wordt hij priester gewijd. Zestien jaar lang woont hij in de kloostergemeenschap. De laatste drieëntwintig jaar trekt hij zich verder in de eenzaamheid terug om het leven te leiden van een kluizenaar. Toch weten ook daar de mensen hem te vinden. Dat gaat na zijn dood ( hij wordt tijdens de misviering van 16.12.1898 plotseling ziek en overlijdt op kerstavond 1898) onverminderd door: men komt bidden op zijn graf en vraagt om zijn voorspraak in de hemel voor allerlei noden en problemen. U ziet nu beelden van Annaya:

Na zijn dood zouden zowel gelovigen, die aan zijn graf kwamen bidden, als ongelovigen gedurende 45 dagen lichten gezien hebben over de begraafplaats. Omwille van deze raadselachtige gebeurtenissen werd hij drie maanden na zijn begrafenis opgegraven en wat bleek? Hij lichaam bleek helemaal intact te zijn. Daarop werd hij in een kist met een glazen deksel gelegd. Gedurende 27 jaar kwamen mensen hem groeten en bij hem bidden. Naar verluidt zouden er verschillende onderzoeken naar het fenomeen van zijn intacte lichaam gebeurd zijn. Niemand had er een verklaring voor. Daar stopt het raadsel niet mee: het lichaam zou een serumachtige substantie uitzweten, de kleding, de doeken die hem bedekte, het hoofdkussen… moesten zelfs 2x/ week verwisseld worden. Er werden genezingen gemeld door contact met deze doeken. En in 1950 nam het fenomeen zelfs uitbreiding: uit een steen in de muur waarachter de kist van de H. Charbel zich bevond kwam een zelfde vocht. De kist werd eruit gehaald en men kon vaststellen dat de oorsprong van dit vocht Charbels lichaam was. Nadien werden er talrijke mirakels hem toegeschreven.

In 1952 werd het lichaam officieel uit het graf gehaald: het lichaam was nog steeds intact. Een onderzoekscommissie werd opgericht. Charbel werd zalig verklaard. In 1976 werd het graf opnieuw geopend. Ditmaal was het lichaam ontbonden; slechts het geraamte bleef over. Charbel werd heilig verklaard in 1977. Wie geïnteresseerd is, kan hier een volledige, weliswaar oude zw-w film van 1u43′, over het leven van de h. Charbel bekijken (Arab./Franse ondertit.)


Dat het bidden van een rozenkrans de miserie in Libanon niet kan oplossen is ons duidelijk. We willen echter wel graag een stukje van het christelijke verleden van het M.O., m.n. van Libanon meegeven, iets wat hier in de westerse landen dikwijls “vergeten” of genegeerd wordt.

Beelden uit het H. Maronklooster waar Charbel zijn geloften aflegde. De heilige Maron was de oprichter van de Maronitische Kerk en lag mee aan de basis van de kerstening van Syrië en Libanon.

En dit zijn beelden uit het klooster, resp. heiligdom van “Saydet El Hazineh”, O.L.Vrouw der Smarten, gebouwd op de restanten van een heidense tempel, één der eerste getuigenissen van de christelijk-Maronitische aanwezigheid in Libanon:

En dit is dan de rauwe werkelijkheid, waarvoor inderdaad een mirakel meer dan nodig is:

Ons contact in Libanon, die omwille van veiligheidsredenen recent verhuisde van Tripoli naar een dorp in het noorden werd op straat aangevallen… gewoon omdat hij een plastic zakje droeg met zijn strandspullen – een handdoek, een natte zwembroek, zonnecrème – … dat men wilde roven.

Ongevoelige media. Reuters vond het nodig kenbaar te maken dat de Libanese bevolking “vegetariër” geworden was… Alsof dit een eigen keuze was. Als men geen vlees meer kan betalen, wat blijft er dan?

Armoe en honger maakt vindingrijk. Terug naar basisvoeding, zonder import, terug naar kleinschaligheid zonder te veel tussenhandel en/of transportkosten:

Frankrijk wil opnieuw aan de touwtjes trekken:

P.S.: Voor verdwenen afbeeldingen en video’s, wende men zich aan de directie van Youtube, die het beste met u voorheeft en u bijgevolg wil beschermen voor informatie waardoor u wel eens uw grijze cellen in te intensieve werking zou kunnen brengen.

Quo vadis, Syria?

Heart sticker. Illustration of flag of Syria

Deze week geen politiek, geen oorlog, geen terrorisme, geen honger of armoe. Deze week wijden wij aan de eeuwenoude beschaving in en van Syrië. Of zoals we ooit in de geschiedenisles leerden: de bakermat van de beschaving, Mesopotamië, tussen Tigris en Eufraat.

Gisteravond vernamen wij in een TV-documentaire over het leven van Agatha Christie dat zij Syrië een warm hart toedroeg. Er waren beelden te zien van een bezoek aan de plaats waar zij met haar man, sir Max Mallowan, verbleef in de jaren ’30, en deed jaren later een rondreis doorheen Syrië. Zij begeleidde haar man, die archeologische uitgravingen deed en schreef over die tijd een autobiografisch boek “Come, tell me how you live”. Het werd zelfs vertaald in het Arabisch.

Agatha Christie; So I lived in Syria

De “gevonden” archeologische artefacten werden – zoals toen gebruikelijk – meegenomen naar het land van de archeologen en verblijven er nu in het British Museum. Bv. het albasten Tell Brak hoofd, daterend 3500 – 3300 VC, opgegraven in het Naram-Sing Paleis in de Mesopotamische hoofdstad Tell Brak in Syrië. Het wordt beschouwd als één der oudste bustes ooit gevonden in het M.O.

Earliest known carved heads in Syria, at Tell Brak (Print #14352272)
Syrian History - British crime novelist Agatha Christie touring Syria in  1935
1935 ronddtrekkend door Syrië

En ze zijn daar in het British Museum behoorlijk trots op hun “Levant” afdeling met Idrimi, een “vluchteling” uit Aleppo… Opmerkelijk: de onderste twee zinnen zijn een vervloeking van degenen die de gebeitelde tekst beschadigen, wijzigen en/of verwijderen. Of vertaald: een verzet tegen censuur, tegen het herschrijven van de geschiedenis…

Tell Brak, waarschijnlijk de oudste stad ter wereld:

Aan het andere uiteinde van Syria: het Nimrod fort in de door Israël bezette Golanhoogte “gebouwd voor reuzen”… De joden noemen dit het Nimrod fort ter ere van de bijbelse koning Nimrod… De Arabische benaming is: Qal’at al-Subeiba, “Het kasteel van de grote rots”:

Nimrod Fortress is located in Golan Heights

De volgende video’s wijden we aan Syrische immaterieel erfgoed, kunsten, handarbeid, tradities, beroepen… in steen, metaal, leder, hout, zijde, parfum, kruiden, zeep… Geen uitleg nodig. Waar u aanvankelijk een zwart beeld ziet, moet u gewoon op “bekijken op youtube” klikken.

Afsluitend een vleugje muziek. Faya Younan zingt in haar taal, het Aramees: Darbo d-loqena:

En dit is het Aramese nationale lied: Marli o Nahro, gezongen n.a.v. de verjaardag van aartsbisschop Mor Theophilus George Saliba, van Syrisch-Orthodoxe kerk van Antiochië.

Herkent u dit strijdlied?

Koor Illustraties en vectorbeelden - iStock

Unser liebe Fraue
vom kalten Bronnen,
Bescher uns armen Landsknecht
ein´ warme Sonnen!
Daß wir nit erfrieren,
gehn in des Wirtes Haus
wir ein mit vollem Säckel,
mit leerem wieder aus.

Die Drummen, die Drummen,
Lärman, lärman, lärman,
heiridiridiran, ridiran
Ride Landsknecht voran.

Unser liebe Fraue
vom kalten Bronnen,
bescher’ uns armen Landsknecht
ein’ warme Sonnen!
Dass wir nit erfrieren,
iieh’n wir dem Bauermann
das wullen Hemd vom Leibe,
das steht ihm übel an.

Die Drummen, die Drummen…

Wir schlucken Staub beim Wandern
der Säckel hängt uns hohl
der Kaiser schluckt ganz Flandern
bekomm’s ihm ewig wohl
Er denkt beim Länderschmause
wie er die Welt erwürb
mir wohnt ein Lieb zu Hause
das weinte, wenn ich stürb

Die Drummen, die Drummen…

Trommler schlägt Parade,
die seid’nen Fahnen weh’n,
jetzt heißt’s auf Glück und Gnade
ins Feld marschieren geh’n.
Korn reift auf den Feldern,
es schnappt der Hecht im Strom,
heiß weht der Wind von Geldern,
herauf gen Berg op Zoom

Die Drummen, die Drummen…

Unser liebe Fraue
vom kalten Bronnen,
bescher’ uns armen Landsknecht
ein’ warme Sonnen!
Dass wir endlich finden
von aller Arbeit Ruh!
Der Teufel hol das Saufen,
das Rauben auch dazu.

Die Drummen, die Drummen…

Uit: Georg Forster’s “Frische Teutsche Liedlein V” 1556. met een overvloed aan bronnenmateriaal.

Wij kennen dit “soldaten”lied, als een vlot marcheer- en zangavondenlied “Het vendel moet marcheren… want Vlaanderen is in nood”. Onze codex vermeldt geen toondichter, slechts een oorsprongsdatum ca. 1560 en als liedertekstschrijver Jan Hoogensteyn. Andere bronnen geven als beschrijving: een oud-Nederlands soldatenlied. Wij zijn geneigd de oorsprong in Duitsland te leggen, vermits het in alle Duitstalige gebieden, Zwitserland inbegrepen, gezongen werd. Waarschijnlijk te wijten aan een begripsverwarring Diets / Duits.

In tal van Nederlandstalige bronnen wordt Jan Hoogensteyn in het jaar 1560 gesitueerd; foute veronderstelling, vermits deze in verschillende bronnen opduikt tijdens WOII, in boeken, gedicht- en liederenbundels, soortgelijke teksten van zijn hand werden gepubliceerd, hij was betrokken bij een verklikkingsproces en vluchtte ten slotte naar Venezuela. Hij zou geboren zijn in 1909 en vermoedelijk in 1980 in Venezuela overleden. Meer over Jan en zijn zus Thea vindt u bij: https://www.nederlandsepoezie.org/dichters/h/hoogensteijn.html