Een verslag uit Syrië, zonder poco bril

Goede Vrienden,

Ieder mens is geschapen naar Gods Beeld, met een (op aarde) onverzadigbare verlangen naar God.  De heilige Augustinus heeft  dit perfect begrepen én doorleefd.   Ziehier nu een negatief voorbeeld.

Sigmund Freud (1856-1939) was een Oostenrijks zenuwarts en de grondlegger van de “psychoanalyse”. Volgens hem is de seksuele drift zowat de meest belangrijke  primaire drift en zijn de verdrongen seksuele verlangens de oorzaak van psychologische problemen, die hij ijverig “analyseert”.  Niet alleen in de universiteiten werden zijn theorieën onderwezen, ze hadden ook veel invloed in het dagelijkse leven. Onbewuste versprekingen of handelingen werden dikwijls geïnterpreteerd  als verdrongen seksuele behoeften. Zijn invloed drong ook door tot de kunst, zoals bij de Franse schrijver André Breton (+ 1966), de grondlegger van het “surrealisme”. Het surrealisme tracht het onzichtbare uit te drukken door het on/onderbewuste weer te geven.

Wist je dat de slappe, uitgelopen uurwerken die Salvator Dali in 1931 schilderde, wijzen op impotentie? (aldus werd ik zelf door een “kunstkenner” deskundig voorgelicht!) De invloed van Freud is en blijft groot. Hij werd en wordt door sommigen nog beschouwd als een van de grote wetenschappers.

Vanuit verschillende hoeken kwam er scherpe kritiek.  De Britse auteur Richard Webster (+ 2011) stelt dat hysterie helemaal geen psychische oorsprong heeft, zoals Freud beweert, maar het gevolg is van hersenbeschadiging.  De voormalige psychoanalytica Alice Miller (+ 2010) wijst de psychoanalytische theorie en praktijk radicaal af als ongeschikt om de ware  oorzaken van traumatische herinneringen te  ontdekken. Hiermee worden volgens haar de ware seksuele misbruiken eerder toegedekt.

Uiteindelijk heeft de Nederlandse socioloog en historicus,  professor Han Israëls, Sigmund Freud ontmaskerd, vooral in zijn grondige studie: De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen, Amsterdam, Bakker, 1999.

Een van de beroemdste patiënten van Freud is Anna O, waarvoor  dr. Jozef Breuer, de leermeester van  Freud, een praatkuur (“gesprekstherapie”) onder hypnose had uitgedacht. Freud vond dit zo geweldig dat hij er samen met Breuer een boek over schreef. Hij stelde de behandeling voor als een geweldig therapeutisch succes en beweerde dat ze daarna op vakantie vertrok. Voor hem was dit zowat het startpunt van zijn psychoanalyse. In feite stopte de behandeling omdat ze in een gekkenhuis moest worden opgenomen. Haar echte naam was  Bertha Pappenheim, een joodse activiste tegen vrouwenhandel.

Een andere beroemde patiënt is de “Wolvenman” (Sergei Konstantenovitsj Pankejev), die Freud opvoert als het bewijs van het succes van zijn methode. Deze man was echter op 80 jarige leeftijd nog steeds de dwangneuroticus die hij in het begin van de behandeling was. Freud geeft uitvoerige beschrijvingen van beroemde personen. Van Leonardo Da Vinci zegt hij dat hij latent homoseksueel is, waarvoor hij steunt op een zogenaamde autobiografische passage, waarvan Freud goed wist dat ze vervalst was. Het grondige speurwerk van Han Israëls levert resultaten op die elke verbeelding tarten. Sigmund Freud en de Berlijnse chirurg Wilhelm Fliess hebben even de excentrieke opvatting gekoesterd dat bepaalde seksuele problemen verholpen kunnen worden door een operatie aan de neus. Freud stuurt de jonge patiënte Emma Eckstein naar de chirurg. Na de operatie laat Fliess gaasverband in de wonde achter zodat ze niet geneest en blijft bloeden. In zijn briefwisseling met de chirurg beweert Freud dat de bloedingen veroorzaakt worden door de onbewuste verlangens van zijn patiënte (“wensbloedingen”!). In de briefwisseling die zijn dochter Anna in 1950 uitgeeft worden alle hinderlijke passages netjes geschrapt.

Het besluit van prof. Israëls is sterk onderbouwd. Sigmund Freud was een bedrieger, een leugenaar. De enkele feiten die hij aanbracht waren verzonnen of gemanipuleerd. De manier waarop hij patiënten behandelde was onverantwoord en onethisch.  De grote invloed van Freud in de moderne maatschappij belet niet dat hij  een kwakzalver  is en dat  zijn pseudo wetenschappelijk werk kwakzalverij blijft.

Ziehier nog een waar gebeurd verhaal ter bevestiging. Een jonge vrouw wordt opgenomen in een bekend Vlaams psychiatrisch instituut, dat nog onder leiding staat van religieuzen en waarvan de directrice een zuster/religieuze is. De jonge vrouw heeft een ongelukkige relatie met haar moeder en lijdt aan anorexia. Ze vraagt om tijdens het weekend vrij te zijn omdat ze graag een priester wil bezoeken, zonder te zeggen waarom. Jaren geleden had zij immers met heel het gezin bij die priester een gezinsretraite gevolgd, wat op haar een grote indruk had gemaakt. Telkens wanneer ze het moeilijk had schreef ze een lange brief naar deze priester. De psychiater en het verplegend personeel hadden het sterke vermoeden dat ze hiermee een seksuele relatie had, wat geenszins het geval was. Weken lang werd ze onder druk gezet opdat ze zou toegeven dat ze met deze man een relatie had. Zij bleef ontkennen en verder zwijgen.  Wanneer ze na lange tijd voor het eerst een weekend naar huis mocht, ging ze recht naar deze priester. Ze was zich bewust van ernstige zonden en wilde biechten om het sacrament van de verzoening te ontvangen. Ze kreeg vergeving en keerde verlicht en met een blij gemoed terug. Na korte tijd werd ze ontslagen uit de psychiatrie. Haar verhaal en de weldaad van het sacrament van de verzoening heeft ze uitvoerig op cassette gezet en bezorgd aan de  zuster directrice van het psychiatrisch instituut, die hierop niet heeft gereageerd.

Dit toont aan dat  sommige psychiaters nog bevrijd moeten worden van freudiaanse illusies. Hun dieptepsychologie mist vooral hoogte, zoals Victor Frankl ( + 1997) leert.  Ze moeten begrijpen dat het realiseren van bepaalde waarden en het zin geven aan zijn leven belangrijker zijn dan seksuele driften te bevredigen of lust te verwerven.  Dit draagt ook meer bij aan onze geestelijke gezondheid. Dat zulks inspanningen en lijden kost, is geheel menswaardig en goed.  Het kan de verantwoordelijkheidszin versterken. Een zelfverwezenlijking nastreven louter door het voldoen van onze verlangens naar lust leidt tot  frustraties. We zijn  geroepen om onszelf te overstijgen en de rest krijgen we er dan bij. Een oog dat zichzelf wil zien, is ziek. Met onze ogen kunnen  wij wel heerlijk genieten van een panorama en van de mensen om ons heen. We zullen hierop later nog terugkomen.

Als besluit van de twee vorige uitweidingen kunnen we stellen: al kan de seksuele drang in een mensenleven soms zeer sterk zijn, het is niet ons diepste streven en een heilige Augustinus is voor ons een veel betere gids  naar een gelukkig leven dan een Sigmund Freud. We gaan volgende keer verder met de derde eigenschap van ons mens zijn: we zijn gewond door de zonde.

P. Daniel

Na enkele Flitsen  geven we twee heel kleine hoopvolle tekens te midden van een wereld en een Kerk, de in de  in grootste verwarring verkeren. David en Goliath over de moedige blijvende weerstand van het Syrische volk. Zovelen hongeren naar waarheid en liefde over een hindoe die katholiek werd en priester wil worden. En dit nog biedt weer een brede waaier aan informatie over Syrië, Libanon, corona, vaccins, wereldpolitiek en Kerk.

Lees verder

“Onmisbare VSA”…

… hebben geen last van valse bescheidenheid!

“Let me say that we are doing everything possible so that American men and women in uniform do not have to go out there again… But if we have to use force, it is because we are America; we are the indispensable nation. We stand tall and we see further than other countries into the future, and we see the danger here to all of us. I know that the American men and women in uniform are always prepared to sacrifice for freedom, democracy and the American way of life.”

Vert.: “Sta me toe te zeggen dat we alles doen opdat Amerikaanse mannen vrouwen in uniform niet opnieuw erop uit moeten gaan… Echter, als we geweld moeten gebruiken, dan is dat omdat we Amerika (VSA) zijn; wij zijn de onmisbare natie. Wij staan pal en we zien verder in de toekomst dan andere landen en we zien hier het gevaar voor ons allemaal. Ik weet dat de Amerikaanse mannen en vrouwen in uniform altijd bereid zijn zich op te offeren voor vrijheid, democratie en de Amerikaanse levensstijl.”

Met dit citaat van Madeleine Albright, voormalig VSA minister van binnenlandse zaken, wordt de lezer duidelijk gemaakt hoe de VSA in de spiegel kijken. Zij beschouwen zichzelf als essentieel in het wereldgebeuren, zij zien zichzelf als leider, als redder, als leraar, als visionair, als bestraffer, als jury, als scherprechter… als almachtige god op aarde. Het dateert van februari 1998 tijdens een gesprek met anker Matt Lauer in de Today show op NBC. Ze keerde toen net terug van een M.O.-reis, waar ze zich onledig had gehouden met het overwegen van een mogelijke Irak-oorlog tegen Sadam Hoessein.

Op het einde van het gesprek vroeg Lauer haar: “Wilt u voor mij met de ouders van Amerikaanse mannen en vrouwen gaan praten die binnenkort zullen gevraagd worden zich in gevaar te begeven en die het gevoel zullen hebben dat de meeste andere landen van de wereld stilletjes aan de kant blijven staan terwijl de VSA opnieuw gevraagd worden de puinhoop op te ruimen voor de rest van de wereld?”

In 1998 was er niets vreemds aan de pretentie van de VSA dat zij verder zagen dan eender welke andere natie en dat de VSA, “de laatste supermacht op de planeet” inderdaad de énige onmisbare natie was op aarde. In de daarop volgende jaren zouden Amerikaanse politici en overheid – presidenten inbegrepen – over de VSA spreken als het énige, echte, overgebleven “buitengewoon” land op aarde – en dit zelfs zonder de intentie te willen snoeven en over het VSA leger als “de grootste strijdkracht voor menselijke bevrijding die de wereld ooit gezien heeft” (George W. Bush) of “de allerbeste strijdkracht die de wereld ooit gekend heeft” (Barack Obama).

https://1997-2001.state.gov/statements/1998/980219a.html

In 2015 probeert Madeleine Albright haar uitspraak “onmisbare natie” af te zwakken… zij zou naar verluidt niet bedoeld hebben dat de VSA in hun eentje het exclusiviteitsrecht op de titel “onmisbare natie” dragen. Zij zwakt in zover af dat ze er deze wending aan geeft: “onmisbaar met partners, met bondgenoten”. En in de loop van het gesprek is deze uitsmijter (vanaf 2’22”) bijna hilarisch: “De USA does not want to run the M.E…. There is no question that we don’t want to run it… The question is how and who are the partners…”

Ned. vert.: “De VSA willen niet de baas zijn in het M.O…. Er is geen twijfel over dat we dat niet willen… De vraag is hoe en met wie…”

Cyclus

MEN DOET VLAANDEREN KLINKEN ALS EEN DISSONANT.

De voorbije 11-juli periode blonk uit door “morositeit”.  Het project Vlaanderen, dat tot stand is gebracht door duizenden Vlaams-nationalisten begeestert niet meer.  De overgrote meerderheid van de Vlamingen geeuwt van verveling…. en zet hun mondmasker op.  Er is haast geen slaafser volkje dan de Vlamingen….  Ik verdenk sommigen ervan hun muilkorf op te laten staan als ze naar bed gaan….  Destijds brachten Luc Van den Brande en Gaston Geens nog een enthousiast verhaal over de eerste stappen, middels een Vlaamse Regering, naar een eigen toekomst.

Als men een massa Vlamingen confronteert met de Vlaamse grieventrommel, dan is vaak het antwoord : “We doen niet aan politiek, Mijnheer”.   Men is erin geslaagd de erfenis van strijdbare Vlaamse voormannen/vrouwen te herleiden tot een politiek saai welles-nietes spelletje, waarbij de belgicisten (met hulp van de maffia-media) de goede kaarten bezitten.

In die context kom ik terug, als Groot-Nederlander, op de zieleroerselen van Bart De Wever, die stoemelings een pro-herenigings-uitspraak doet.  Ik had de (niet-toevallige) opportuniteit de TV eens op te zetten en het verhaal van De Wever in het Nederlandse duidings-programma Op-1 te zien.  De Nederlanders, die niet ipso facto contra zijn, zelfs de policor-media, brachten daar een programma, met alle argumenten (Vlaams en Nederlands) die al decennia de ronde doen.  Bart De Wever vertolkte waardig het beeld van de “economicus”, die de duiten aan beide zijden van de grens ziet toenemen, bij een verregaande samenwerking.   Neen, geen gevoel van liefde, van toebehoren aan dezelfde stam, geen romantiek, geen goedmaken van zoveel eeuwen spijtige scheiding!!!  Enkel het verhaal van macht en geld, en daarin is dee drugs-maffia onze voorloper : ze werken perfect “Groot-nederlands”” samen zonder enige belemmering.

De Graaf van St. Germain heeft een meedogenloze analyse (lees diens reactie op Cui bono? onderaan) gemaakt wat er achter dit nummertje kan steken.  Als de topfiguren in Vlaanderen het werkelijk gelegen is aan de herstichting van de Nederlanden, dan kunnen ze dat morgen al afkondigen.  Wat er werkelijk volgde is de gebruikelijke haatspraak, van een verschrikkelijk inferieur Vlaams publiek (in Bart zijn mailbox) en in de interviews van Op1 niet toevallig alleen “peukige” Antwerpenaren, die blijkbaar nog liever een deel van Marokko zouden worden, dan van Nederland!!!

Het verschrikkelijke drijfzand, waarin de Vlaamse Beweging zit (gebrek aan enige waardering vanwege het diepe Vlaanderen) komt door het oneindig herhalen , in de politiek , van de dissonanten die het Vlaams bestuur ten toon spreiden. Dat geeft bv. als resultaat dat in de weekend-kranten van 10/11 juli in de meeste Vlaamse kranten geen enkele aandacht aan de Vlaamse feestdag werd gegeven.  Het perspectief dat in sommige Vlaamse webstekken, omtrent de verdere Vlaamse toekomst, besproken wordt door de lezers, komt er op neer dat we zullen moeten wachten “hoe de pet van Bart De Wever staat”, de dagen na de kiesronde van 2024.

De enige glasheldere oplossing voor deze wanstaat België, is naar mijn mening, een eenzijdige en gefundeerde her-integratie van de twee delen van de Nederlanden.  Het volkerenconflict binnen België is onoplosbaar, omdat Vlaamse leiders hun lot in de handen leggen van de PS-PTB staat.

Dit geldt tevens voor de voortzetting van de corona-dictatuur onder Vivaldi.  De mondmaskers, die een hoog gezondheids-risico inhouden, werden op 11.juli 2020  (jennen van de Vlamingen) ingevoerd.  Nu meer dan een jaar later slagen de communisten in de Vivaldi ploeg, met name Frank Vanden Broucke en Mark Van Ranst en andere vooral VUB-professoren, erin de vrijheids-beperkingen, die essentieel zijn, te handhaven.  Er is geen enkel bewijs geleverd dat deze tot angst en onderdanigheid verplichtende maatregelen, een werkelijke ommekeer hebben veroorzaakt.

Zo goed als alle smaakmakende figuren, ook uit de politieke Vlaamse Beweging, zien niet in dat dit allemaal een opstap is naar een totalitaire communistisch geïnspireerde samenleving.  Het huiveringwekkende voorbeeld ziet men in Australië en Canada, waar de Loge dictatuur zo fanatiek is dat ze de “nieuwe full-control samenleving” onder politiegeweld invoeren.

Een berichtje vermeldde dat een aantal “Belgen” die naar Nederland gingen, verbijsterd waren dat daar de regeltjes zo weinig opgevolgd werden.  Dit is te danken aan de zeer ruime waaier aan verzet (ik vernoem nog eens Gezond Verstand, een tijdschrift, de Robert Jensen Show,  Viruswaarheid van Willem Engel, Café Weltschmerz van Max von Kreyfeldt).   Bij ons in Vlaanderen zijn het vnl. ook onafhankelijke denkers uit de Vlaamse Beweging en uit de integristische en evangelische kerkkringen die tegengeluid geven.

We wachten nu met een “visadempje” af, welke de prompte voorstellen zullen zijn van de N-VA, maar ook van Vlaams Belang, om de Nederlandse bruidegom en Vlaamse bruid tot een onverbrekelijk “huwelijksbelofte” te bewegen???  En om uiteindelijk de waanzinnige corona-dictatuur een halt toe te roepen.

Jos Wouters, Boom, 29 juli 2021

Aanbevolen literatuur:

De in 1998 vooropgestelde termijn van de hereniging van Vlaanderen en Nederland zou nu overschreden zijn. Ook hier worden er logische, financiële, economische argumenten aangevoerd. Toen was er nog sprake van een “stevige Vlaamse Beweging”. Die is nu op sterven na dood, aangemoedigd door de Vivaldiregering en de zeer welgekomen coronacrisis. Kijk even mee.

Waar is der vaadren fierheid heen gevaren?*

… ging er door ons hoofd toen we een vergelijking maakten met een voormalige burger’vader’ der Sinjorenstad en de huidige burge’meester’.

En we willen in dit verband graag verwijzen naar een 11 julitoespraak van Lode Craeybeckx in het jaar 1954. We knippen er dit citaat even uit:

“… Indien het Vlaamse volk zo tientallen jaren weerstand geboden heeft aan een regime waarvan aard en de bedoeling was ons volk tot verwording en verlies van eigen wezen te brengen, heeft de ervaring bewezen dat onverwoestbare krachten ons volk voor de ontbindende elementen immuun hebben gemaakt.

Beter dan vroeger beseffen wij vandaag dat het de grondig verankerde kultuurinstincten van ons volk zijn, waaraan wij te danken hadden dat de eigenheid van Vlaanderen niet teloor is gegaan.

Grondslag dan van de levenskracht van ons volk, dat in het verleden op één der grootste kulturen van het Europese vasteland mocht roemen, is vandaag nog in onze volksgrootheid op de waarde van de geest gevestigd. Als hoogste uitbloei der Vlaamse beweging, beschouwen wij het essentiële werk dat nu aan de orde komt: de opgang van de hogere vormen van beschaving in onze gewesten…”

We vragen ons af wat Lode Craeybeckx nu, anno 2021, in een 11 julitoespraak zou gezegd hebben… over “een regime”, over “het verlies van eigen wezen”, over “ontbindende elementen”, over “kultuurinstincten” die nu in schabouwelijk Engels uitgedrukt worden, over “de opgang van de hogere vormen van beschaving in onze gewesten”

Ach, Lode Craeybeckx heeft nooit kunnen vermoeden welke “opgang van hogere vormen van beschaving in onze gewesten” aangewaaid is gekomen…

Jan Huybrechts herdacht de geliefde burgervader in onderstaande beschouwingen:

Op 25 juli 1976 – gisteren 45 jaar geleden – overleed in Antwerpen Lode Craeybeckx. Craeybeckx, die de langst zetelende burgemeester ooit van Antwerpen was geweest, was een socialistische politicus met een uitgesproken Vlaamsgezind profiel.

Niet echt verwonderlijk want in zijn jeugdjaren was hij een van de leidinggevende jonge activisten in de Scheldestad geweest. Een radicaal engagement dat hem na de Wapenstilstand een veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf opleverde. Straf, waarvan hij effectief twee jaar en twee maanden heeft uitgezeten en waarbij hij -aanvankelijk- voor twintig jaar zijn politieke rechten kwijtspeelde.

In mijn vorig jaar verschenen biografie van Herman Van den Reeck belichtte ik uitgebreid de rol die Craeybeckx tijdens de Grote Oorlog gespeeld had want hij was goed bevriend geweest met de iets jongere Van den Reeck, die op 11 juli 1920 op de Grote Markt van Antwerpen dodelijk gewond werd bij een uit de hand verboden Guldensporenviering. Hieronder volgt de tekst van het kaderstukje ‘“Idealisme in ’t teken der ontvoogding’ – Van Johanneskring tot Jeugdgemeente’ uit dit boek:“

Medio 1918 werd Herman Van den Reeck erg actief in de door Lode Craeybeckx opgerichte Jeugdgemeente. Deze vereniging van hoofdzakelijk vrijzinnige jonge Antwerpse intellectuelen was niet zomaar uit de lucht komen vallen maar was in feite, qua werking geïnspireerd op de een paar jaar eerder eveneens door Craeybeckx bezielde Johanneskring. Omstreeks de eeuwwisseling zag men in heel Europa jongerenbewegingen ontstaan die pleiten voor een terugkeer naar de natuur en een herstel van de, door de snel om zich heen grijpende industrialisering, bedreigde menselijke waarden. Ze zagen de harde en rauwe stad met haar onafzienbare straten en hun lange, eindeloos lijkende huizenrijen als een verstikkende gevangenis. Het benauwende van de grootstad was voor hen meer dan een louter ruimtelijke kwestie. Het was een metafoor voor de pijnlijke afhankelijkheid van de inwoners aan het stadsleven. De stad had hen in haar greep en er was geen ontkomen aan. Het enige alternatief was een radicale herbronning.

De Duitse Wandervogel-beweging was wellicht het bekendste voorbeeld van dit soort verengingen maar ook in de Lage Landen deden deze gedachten opgeld. Een ware cultfiguur in deze middens werd de Nederlandse zenuwarts en literator Frederik Van Eeden (1860-1932). Nadat Van Eeden aanvankelijk deel uitmaakte van de literaire esthetiserende vernieuwingsbeweging van de Tachtigers, brak hij met die groepering en na aanvankelijk met het anarchisme te hebben geflirt, ging hij een spiritueel socialisme nastreven dat concreet gestalte kreeg in de door hem opgerichte coöperatieve woongemeenschap Walden.

Deze idealistische tuinbouwcommune die in 1898 in Bussum werd opgericht ging echter overkop in 1907 na kennelijk wanbeheer en diefstallen door medewerkers…Van Eeden verwierf vooral literaire roem met zijn novelle De Kleine Johannes (1885) en zijn roman ‘Van de koele meren des doods’ (1900).

De Kleine Johannes, in feite een sterk autobiografisch gekleurd wordingsverhaal in sprookjesvorm kende een enorm succes in binnen– en buitenland. Veel zoekende jongeren in Vlaanderen voelden zich aangesproken door de wonderlijke ontmoeting van Johannes met het elfje Windekind, die Van Eedens jeugdliefdes en religieuze onzekerheden weerspiegelde. Net zoals de kleine Johannes zagen ze de gemaaktheid in de gezichten van de bourgeoisie en het gekunstelde van hun gebaren. Heel af en toe zagen ze de ijdelheid, jaloezie en verveling soms door het masker breken. Zij wilden komaf maken met deze valse wereld of zoals Van Eeden het zelf schreef: “Erger dan tirannie, dan onrecht, bloedstorting, oorlog, slavernij hun voorgangers griefde, grieft den poëet, den fijn georganiseerde van onze dagen, de afschuwelijke banaliteit, de walgelijke burgerlijkheid der groote menigte. Dit is zoo sterk dat hij het goede niet anders kan voelen in hoogmoed en trots, het mooie niet dan in verfijning, in distinctie, in zelfzuchtigheid, koel, rein individualisme.”

In het begin van 1914 verenigden een aantal jongeren die lid waren van de Vlaamsche Bond in het Antwerpse Atheneum zich in de Johanneskring. Deze kring, die overduidelijk geïnspireerd was door het literaire en sociale werk van Van Eeden, had niet alleen de bedoeling de ideeën van de schrijver in een zo breed mogelijke kring te propageren maar vooral ook om te gaan leven in een sfeer van ‘geestelijke zuiverheid’ en te streven naar een rechtvaardiger maatschappij.

De onbetwistbare sterkhouder van de Johanneskring werd Lode Craeybeckx. Op 18 mei 1914 had Craeybeckx samen met zijn kameraad Christiaan Barman een brief aan de door hen verafgode schrijver gestuurd waarin ze verklaarden gewonnen te zijn voor zijn ideeën.

Van Eeden ontving hen op 27 juli 1914 en, nadat hij zich vergewist had van de ernst van hun bedoelingen, raadde hij hen aan om hun werking te oriënteren op die van de Vrije Jeugdbond in Amsterdam. Deze Bond focuste zich op pedagogische vernieuwing en Van Eeden gaf hen zelfs een introductiebrief mee. De oorlog die een paar dagen later uitbrak verhinderde echter dat de ambitieuze Antwerpenaren nog contact kregen met de Vrije Jeugdbond.

De Johanneskring wierf langzaam maar zeker meer leden, onder meer door de samenwerking met de kring rond het tijdschrift Jonge Tijd dat sinds maart 1915 verscheen als publicatie van een handvol leerlingen van de Stedelijke Normaalschool voor Jongens. Na slechts negen nummers hield Jonge Tijd er mee op maar de werking van de Johanneskring werd met de komst van jonge intellectuelen als Ger Schmook, Rob Van Roosbroeck en de dichter Victor J. Brunclair versterkt of zoals Brunclair het later verwoordde: “Tegenover dweepzucht kwam te staan realiteitszin, dandy-perversiteit maakte front tegen puritanisme, bezadigde ernst en zuivere rede ontkrachtten de agitatorisch-begeesterden.”

Deze verruiming en verdieping van de Johanneskring leidde in januari 1916 tot de naamsverandering in Vlaamsche Kring. Het opzet ging echter verder dan louter een naamsverandering want in feite fusioneerde de Johanneskring met de restanten van de vroegere Vlaamsche Bond van het Atheneum, waarvan de activiteiten sinds het einde van 1915 verboden waren door de schooldirectie. De semi-illegale werking van de ontbonden Vlaamsche Bond ging dus gewoon, zonder dat prefect Loos zich hiermee kon bemoeien, in een ander jasje verder.

Op 2 januari 1916 organiseerde de Johanneskring in de zaal van het Kunstverbond in de Arenbergstraat een ‘symfonies konzert’ dat een groot succes werd. Het bracht genoeg geld in het laatje om ‘hun werking te verwijden’.

Alles ging daarna erg snel. Op het einde van diezelfde maand bracht Lode Craeybeckx op overtuigende wijze een referaat onder de noemer “Zwijgen of spreken”. Voor de aanwezigen was het duidelijk: Ze zouden gaan spreken. In de toekomst zou de werking van de Johanneskring gefocust worden op de Vlaamse kwestie. Een paar dagen later werd collectief de beslissing genomen de Johanneskring te herdopen in Vlaamsche Kring. Zonder dat het Atheneum met name werd genoemd – officieel verenigd deze Kring scholieren van verschillende Antwerpse onderwijsinstellingen – was het duidelijk dat dit een verkapte voortzetting van de verboden Vlaamsche Bond was.

Het bestuur bestond uit voorzitter Oscar De Smet, secretaris Edward Van Hemel en penningmeester Juul Van Bek, alle drie oud-bestuursleden van de Vlaamsche Bond. Toen ze al een paar maanden later besloten aan te sluiten bij Jong-Vlaanderen, een groep jonge radicale activisten die streefden naar een autonoom Vlaanderen, hield de Johanneskring in feite op te bestaan. Brunclair beschouwde de ‘jong ontslapen’ Johanneskring evenwel als de ‘hoeksteen’ van de in 1918 ‘doelmatig georganiseerde’ Jeugdgemeente. Maar er was wel degelijk een verschil en Brunclair bleef niet blind voor utopische karakter van de werking in de Johanneskring:

“Aanvankelijk, circa 1914-1915 maakte Van Eeden en met hem Emmerson en Carlyle onder de jongeren furore. Periode van reinlevenbeweging. Sturm-und-Drang, idealisme in ’t teken der ontvoogding, stroovuurflamingantisme. Als grondtoon toch in onze geesteshouding tegenover de buitenwereld, wies het besef aan de gebreken in de maatschappelijke orde, en in dit inzicht, aangedikt zoowel door proletarisch-gekleurde tendensliteratuur als spekulatief ethische, vervatte in kiem, dan ook de verzuchting naar een beter zijn, naar een toekomstwereld, meer door fantasie voorgespiegeld dan door realiteitszin onderworpen. Deze psychische terugwerking op de werkelijkheid, – of na grondig gewetensonderzoek, was niet veeleer onkieskeurig en onkritisch verslonden lektuur de hefboom ? – ontlaadde zich uitermate primitief. Tomeloze dweeperij met ideologieën, kultus des Utopia, humanisme vormden er schering en inslag van.”

*https://jmaadewilde.wordpress.com/2020/11/10/fierheid-albrecht-rodenbach/

Een verslag uit Syrië, zonder poco bril

Beste vrienden,

Groot zijt Gij, Heer en ten zeerste lovenswaardig… want Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U“. Zo schrijft Augustinus rond 400 in zijn “Belijdenissen” (1). Hiermee verwoordt hij op schitterende wijze de tweede eigenschap van ons mens-zijn en  zijn bekering is hiervan een merkwaardige illustratie.

Aurelius Augustinus werd in 354 in Thagaste (Numidië, Algiers) geboren uit een heidense vader, Patricius, en een zeer vrome christelijke moeder, Monica. Hij streefde een academische loopbaan na om “redenaar” te worden, d.w.z. meester in de Latijnse taal en de klassieke literatuur. Op 19-jarige leeftijd was hij reeds “retoricus” in Thagaste, een jaar later in de hoofdstad Carthago, en tegen 383 was hij een goedbetaalde “woordkunstenaar” in Rome.

Intussen leefde hij met een meisje, dat hij vijftien jaar bij zich hield en met wie hij in 371 een zoon kreeg, Adeodatus, een zeer begaafde jongen die in 390 stierf. Hij was zeer ingenomen met zijn carrière en tevens hartstochtelijk gehecht aan zijn vriendin, al heeft hij het christelijk geloof van zijn moeder nooit helemaal afgezworen. Wel was hij overtuigd dat de Bijbelse verhalen en het christelijk geloof slechts sprookjes waren voor oude vrouwen.

Zelf was hij meer geïnteresseerd in het manicheïsme, gesticht door Mani (+ 277), die twee eeuwige principes aanvaardde: een goede en een kwade macht. Om gered te worden, moest men Mani volgen. Het manicheïsme zal pas in de veertiende eeuw verdwijnen. Negen jaar lang bleef het manicheïsme voor Augustinus zijn “gnosis”, hoewel hij er ook nooit een vurige verdediger van werd. Hij bleef een zoeker naar de zuivere waarheid. Hoewel hij hoge verwachtingen koesterde van de gezaghebbende meesters van het manicheïsme, werd hij steeds meer teleurgesteld door deze “beminnelijke nietsnutten“.

God, schepping, oordeel, onsterfelijkheid… alles was voor hem één grote verwarring en het leven met zijn vrome moeder, die erg bezorgd was over zijn onstuimig leven, werd ondraaglijk. Door een list weet hij in 384 aan haar te ontsnappen en neemt ’s nachts een boot vanuit Rome naar het noorden, naar Milaan, de keizerlijke residentie. Zijn moeder kwam hem echter achterna.  Ondertussen begon Augustinus bekend te worden en zijn moeder wilde nu een fatsoenlijk en waardig huwelijk voor hem regelen.

Uiteindelijk stemde hij er mee in en stuurde zijn vriendin terug naar Afrika: “Intussen vermenigvuldigden zich mijn zonden. De vrouw met wie ik samenleefde, was van mijn zijde weggerukt, omdat ze als een beletsel gold voor een huwelijk, en op de plek waar mijn hart aan haar had gehangen, was het stukgetrokken en verwond en bleef het maar bloeden… De wonde, mij toegebracht door de scheiding van die eerste vrouw, genas ook niet eens, maar na heftig gloeien en steken, bleef ze etterend voortduren…” (VI, XV, 25).

Maar kort daarna, neemt hij toch weer een ander meisje. Aan een vriend bekent hij dat hij niet kan begrijpen hoe iemand kan leven zonder een seksuele relatie met een vrouw. Toevallig ziet hij op straat een bedelaar lachen en beseft dat deze man zorgeloze vreugde geniet terwijl hij, verscheurd door lust, zijn ongelukkig leven in droefheid voortsleept. In Milaan moet hij onder meer een lofrede uitspreken op keizer Valentinus II.  Met de grootste welsprekendheid vertelde hij de grofste leugens en genoot er zelf van: “in deze toespraak vertelde ik meer leugens dan waarheid, en door te liegen won ik de gunst van de toehoorders, die wisten dat ik loog” (VI, VI, 9).

In Milaan was bisschop Ambrosius (+ 397) de grote autoriteit en Augustinus ging naar de kathedraal om naar zijn preken te luisteren. De woorden van deze bisschop, samen met de liturgie en de psalmen, raakten zijn hart. Geleidelijk ontdekte hij het christelijk geloof en de katholieke Kerk. Hoewel hij niet de gelegenheid had om met deze bisschop van gedachten te wisselen, vond zijn immense dorst naar waarheid en schoonheid hier eindelijk enige bevrediging. Een oude priester, Simplicius, raadde hem aan het Manicheïsme te verlaten en zich eerder te wenden tot de Griekse filosoof Plotinus (+ 270), stichter van het Neoplatonisme, en diens leerling Porphyrius (+ 301/5).

Hij bleef naar de kathedraal gaan om naar Ambrosius te luisteren. Er was een ommekeer in hem bezig: “Wat heb ik geschreid bij uw hymnen en gezangen, heftig ontroerd door de stemmen van uw lieflijk zingende  gemeente… uw waarheid zeeg in mijn hart en een innige aandoening van vroomheid golfde daaruit opwaarts  en dan stroomden de tranen en ik voelde mij er wel bij” (IX VI, 14).

Een Romeins ambtenaar Ponticianus vertelt over de bekering van de grote monnik en woestijnvader abt Antonius (+ 356) in Egypte, die nu zoveel volgelingen trekt. Dit verhaal treft als een pijl het hart van Augustinus.   Hij beseft dat zijn speeltijd voorbij is en dat hij moet kiezen tussen de hevige hartstochten voor aardse genoegens die hem slechts illusies en verslavingen opleveren en de allesomvattende waarheid, schoonheid en liefde van God. Intussen bidt hij: “Geef mij kuisheid en onthouding, maar doe het niet meteen“, en hij worstelt met “de ziekte van de begeerlijkheid, die ik liever verzadigd wilde zien dan gedoofd ” (VIII, VII, 17). Hij opent willekeurig de brieven van Paulus en leest Romeinen 13, 12 vv: “De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten we ons dus ontdoen van de werken van de duisternis… Bekleed u met de Heer Jezus Christus, en koestert geen zondige begeerten meer“.

Na een dramatische innerlijke strijd, neemt hij een radicaal  besluit voor Christus. Het is september 386. Na enkele weken staakt hij zijn lessen als “woordenverkoper”  en trekt zich terug op het landgoed van een vriend, Cassiciacum (het huidige Cassago Brianza, ten noordwesten van Milaan), met zijn moeder, zijn zoon Adeodatus, enkele leerlingen en vrienden. In de Paaswake van 387 werden hij en zijn zoon door Ambrosius gedoopt. “Laat heb ik U lief gekregen, o schoonheid, zo oud en zo nieuw!…En Gij  waart binnen en ik was buiten, en daar zocht ik U, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door U gemaakt zijn. Gij waart bij mij en ik niet bij U… Geroepen hebt Gij, geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken, gestraald hebt Gij, geschitterd en mijn blindheid verjaagd…Ik heb geproefd en nu honger en dorst ik...” (X, XXVII, 38).

In Cassiciacum leeft deze groep een soort filosofisch-religieus leven en ze delen alles samen. Zij lezen Vergilius en Cicero, terwijl het Oude en het Nieuwe Testament voor hen het hoogste gezag zijn en “onze priester” (bisschop Ambrosius) de zekere gids. Hij brandt van verlangen om God en de ziel te kennen. Hij ontdekt het geloof van Paulus en de liefde van Johannes. Ze zingen hymnen en bidden samen. Hij beleeft nu ten volle wat hij vroeger reeds in vriendschap nastreefde : “ …samen praten, samen lachen, elkaar vriendelijk ter wille zijn, samen boeken in mooie taal lezen, samen speels zijn en samen ernstig worden, bij tijd en wijle van mening verschillen zonder haat, alsof iemand het oneens was met zichzelf, en juist door die schaars voorkomende onenigheid fleur geven aan de eensgezindheid,  aan of van elkaar iets leren, bedrukt naar de afwezige vrienden verlangen, verblijd de aankomende ontvangen: door deze en soortgelijke tekens, uit harten vol liefde en wederliefde naar buiten tredend door mond en tong en ogen en duizend heerlijke gebaren, als met brandbare stoffen de zielen in gloed zetten en van vele maken tot één” (IV, VIII, 13).

De “Belijdenissen” hebben een dubbele betekenis. Augustinus belijdt zijn zonden, zijn ongeordende passies voor aardse genoegens en hij belijdt de grootheid van God, de Liefde en de Waarheid die alles overstijgen. Hij beschrijft zijn zeer persoonlijke strijd, die echter zo authentiek is, dat hij tevens ook universeel is.  Iedereen kan zich hierin herkennen. Hij heeft de “rusteloosheid” van zijn hart ontdekt én beleefd als zijn diepste verlangen naar God en zijn  bekering is hiervan een sprekend voorbeeld. In fel contrast hiermee zullen we hierna aantonen hoe Sigmund Freud zichzelf en de wereld bedrogen heeft  tot onheil van velen. En dit onheil woekert helaas nog steeds als een kanker voort.

(1) Aurelius AUGUSTINUS, Belijdenissen. Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld, Ambo, Baarn, 1985, I,I,1. – https://nl.wikipedia.org/wiki/Confessiones

P. Daniel

Flitsen

Deze zondag wordt in de byzantijnse liturgie de “zondag van de Vaders” genoemd, nl. van de 6 eerste oecumenische concilies (Nicea 325, Constantinopel 381, Efese 431, Chalcedon 451, Constantinopel II 553, Constantinopel III 680-1). Het is een viering van de eenheid van het christelijk geloof en van de Kerk.

Lees verder

Bidden voor Libanon

Thought for the Day – 24 July – The Memorial of St Charbel of Makhluf –  AnaStpaul

Een rozenkrans voor Libanon. Vandaag, op de feestdag van de h. Charbel, een Libanese heilige, wordt het bidden van de noveen afgesloten en wordt op initiatief vanuit het Vaticaan internationaal een rozenkrans gebeden om 18.30 u. Na de ontmoeting van de paus met de christelijke gemeenschappen in Libanon (1.7.21) werd een internationale bidbeweging opgericht om vrede en redding af te smeken bij de Heer. Alle Libanezen in den vreemde worden opgeroepen gedurende 33 dagen de rozenkrans te bidden, op hetzelfde tijdstip, nl. 19.30 u (Rometijd), tot 4 augustus, trieste verjaardag van de explosie in de haven van Beiroet. Vanzelfsprekend kan en mag zich iedereen hierbij aansluiten.

Elke dag zal er op de speciaal hiervoor opgerichte webstek – www.33jours.com – een speciale intentie voorgesteld worden om Libanon uit de miserie te halen. Bv. het herstel van de economische en politieke situatie, of voor de armen, voor de medische zorgverleners, voor de kinderen. Kortom: het is een smeekbede voor een mirakel!

Vandaag, om 18.30 u Rometijd, feestdag van de heilige Charbel, zal de rozenkrans “live” uitgezonden worden vanuit Rome. U kan die d.m.v. onderstaande videoverbinding volgen.

Wie was nu die heilige Charbel? Volledige naam: Charbel Makhlouf. Gedoopt met de naam Youssouf Antoun (Jozef Antonius). Geboren op 8 mei 1828 te Beqaa Kafra, het hoogste dorp van Libanon. (Google kaart). Het dorp wordt quasi omringd door getuigenissen van het christendom: in het oosten Sint Hawchab (Eusebius), in het westen Sint Moura (Mar Moura) in het zuiden Sint Saba en in het noorden O.L.Vrouw. (zie video’s onderaan) En als kers op de taart het klooster, resp. begraafplaats-heiligdom van de H. Charbel.

File:Bekaa kafra location in lebanon.jpg - Wikimedia Commons

Zijn familie bestaat uit eenvoudige, gelovige, hard werkende mensen. Zijn vader is boer; een van diens zussen is kloosterzuster; daarnaast heeft hij nog twee ooms die monnik zijn. op 23-jarige leeftijd wil ook hij monnik worden. Bij het afscheid zou zijn moeder hem gezegd hebben: “Als je geen góede religieus wilde worden, zou ik zeggen: Jongen, kom naar huis. Maar ik besef nu dat de Heer je vraagt in zijn dienst. En in mijn verdriet van je gescheiden te zijn, doe ik een stap terug en zeg ik je: Moge Hij je zegen, mijn jongen, en een heilige van je maken.” Een moeders wens geschiedde…
Hij treedt toe tot het Maronitische Onze-Lieve-Vrouweklooster te Maifuq en neemt de kloosternaam aan van Charbel naar een heilige uit de eerste eeuwen van het christendom († 101; feest 29 januari).


Enige tijd later verhuist hij naar het verder afgelegen St-Maronklooster te Annaya. In 1851 legt hij zijn eeuwige geloften af en in 1859 wordt hij priester gewijd. Zestien jaar lang woont hij in de kloostergemeenschap. De laatste drieëntwintig jaar trekt hij zich verder in de eenzaamheid terug om het leven te leiden van een kluizenaar. Toch weten ook daar de mensen hem te vinden. Dat gaat na zijn dood ( hij wordt tijdens de misviering van 16.12.1898 plotseling ziek en overlijdt op kerstavond 1898) onverminderd door: men komt bidden op zijn graf en vraagt om zijn voorspraak in de hemel voor allerlei noden en problemen. U ziet nu beelden van Annaya:

Na zijn dood zouden zowel gelovigen, die aan zijn graf kwamen bidden, als ongelovigen gedurende 45 dagen lichten gezien hebben over de begraafplaats. Omwille van deze raadselachtige gebeurtenissen werd hij drie maanden na zijn begrafenis opgegraven en wat bleek? Hij lichaam bleek helemaal intact te zijn. Daarop werd hij in een kist met een glazen deksel gelegd. Gedurende 27 jaar kwamen mensen hem groeten en bij hem bidden. Naar verluidt zouden er verschillende onderzoeken naar het fenomeen van zijn intacte lichaam gebeurd zijn. Niemand had er een verklaring voor. Daar stopt het raadsel niet mee: het lichaam zou een serumachtige substantie uitzweten, de kleding, de doeken die hem bedekte, het hoofdkussen… moesten zelfs 2x/ week verwisseld worden. Er werden genezingen gemeld door contact met deze doeken. En in 1950 nam het fenomeen zelfs uitbreiding: uit een steen in de muur waarachter de kist van de H. Charbel zich bevond kwam een zelfde vocht. De kist werd eruit gehaald en men kon vaststellen dat de oorsprong van dit vocht Charbels lichaam was. Nadien werden er talrijke mirakels hem toegeschreven.

In 1952 werd het lichaam officieel uit het graf gehaald: het lichaam was nog steeds intact. Een onderzoekscommissie werd opgericht. Charbel werd zalig verklaard. In 1976 werd het graf opnieuw geopend. Ditmaal was het lichaam ontbonden; slechts het geraamte bleef over. Charbel werd heilig verklaard in 1977. Wie geïnteresseerd is, kan hier een volledige, weliswaar oude zw-w film van 1u43′, over het leven van de h. Charbel bekijken (Arab./Franse ondertit.)


Dat het bidden van een rozenkrans de miserie in Libanon niet kan oplossen is ons duidelijk. We willen echter wel graag een stukje van het christelijke verleden van het M.O., m.n. van Libanon meegeven, iets wat hier in de westerse landen dikwijls “vergeten” of genegeerd wordt.

Beelden uit het H. Maronklooster waar Charbel zijn geloften aflegde. De heilige Maron was de oprichter van de Maronitische Kerk en lag mee aan de basis van de kerstening van Syrië en Libanon.

En dit zijn beelden uit het klooster, resp. heiligdom van “Saydet El Hazineh”, O.L.Vrouw der Smarten, gebouwd op de restanten van een heidense tempel, één der eerste getuigenissen van de christelijk-Maronitische aanwezigheid in Libanon:

En dit is dan de rauwe werkelijkheid, waarvoor inderdaad een mirakel meer dan nodig is:

Ons contact in Libanon, die omwille van veiligheidsredenen recent verhuisde van Tripoli naar een dorp in het noorden werd op straat aangevallen… gewoon omdat hij een plastic zakje droeg met zijn strandspullen – een handdoek, een natte zwembroek, zonnecrème – … dat men wilde roven.

Ongevoelige media. Reuters vond het nodig kenbaar te maken dat de Libanese bevolking “vegetariër” geworden was… Alsof dit een eigen keuze was. Als men geen vlees meer kan betalen, wat blijft er dan?

Armoe en honger maakt vindingrijk. Terug naar basisvoeding, zonder import, terug naar kleinschaligheid zonder te veel tussenhandel en/of transportkosten:

Frankrijk wil opnieuw aan de touwtjes trekken:

P.S.: Voor verdwenen afbeeldingen en video’s, wende men zich aan de directie van Youtube, die het beste met u voorheeft en u bijgevolg wil beschermen voor informatie waardoor u wel eens uw grijze cellen in te intensieve werking zou kunnen brengen.

Quo vadis, Syria?

Heart sticker. Illustration of flag of Syria

Deze week geen politiek, geen oorlog, geen terrorisme, geen honger of armoe. Deze week wijden wij aan de eeuwenoude beschaving in en van Syrië. Of zoals we ooit in de geschiedenisles leerden: de bakermat van de beschaving, Mesopotamië, tussen Tigris en Eufraat.

Gisteravond vernamen wij in een TV-documentaire over het leven van Agatha Christie dat zij Syrië een warm hart toedroeg. Er waren beelden te zien van een bezoek aan de plaats waar zij met haar man, sir Max Mallowan, verbleef in de jaren ’30, en deed jaren later een rondreis doorheen Syrië. Zij begeleidde haar man, die archeologische uitgravingen deed en schreef over die tijd een autobiografisch boek “Come, tell me how you live”. Het werd zelfs vertaald in het Arabisch.

Agatha Christie; So I lived in Syria

De “gevonden” archeologische artefacten werden – zoals toen gebruikelijk – meegenomen naar het land van de archeologen en verblijven er nu in het British Museum. Bv. het albasten Tell Brak hoofd, daterend 3500 – 3300 VC, opgegraven in het Naram-Sing Paleis in de Mesopotamische hoofdstad Tell Brak in Syrië. Het wordt beschouwd als één der oudste bustes ooit gevonden in het M.O.

Earliest known carved heads in Syria, at Tell Brak (Print #14352272)
Syrian History - British crime novelist Agatha Christie touring Syria in  1935
1935 ronddtrekkend door Syrië

En ze zijn daar in het British Museum behoorlijk trots op hun “Levant” afdeling met Idrimi, een “vluchteling” uit Aleppo… Opmerkelijk: de onderste twee zinnen zijn een vervloeking van degenen die de gebeitelde tekst beschadigen, wijzigen en/of verwijderen. Of vertaald: een verzet tegen censuur, tegen het herschrijven van de geschiedenis…

Tell Brak, waarschijnlijk de oudste stad ter wereld:

Aan het andere uiteinde van Syria: het Nimrod fort in de door Israël bezette Golanhoogte “gebouwd voor reuzen”… De joden noemen dit het Nimrod fort ter ere van de bijbelse koning Nimrod… De Arabische benaming is: Qal’at al-Subeiba, “Het kasteel van de grote rots”:

Nimrod Fortress is located in Golan Heights

De volgende video’s wijden we aan Syrische immaterieel erfgoed, kunsten, handarbeid, tradities, beroepen… in steen, metaal, leder, hout, zijde, parfum, kruiden, zeep… Geen uitleg nodig. Waar u aanvankelijk een zwart beeld ziet, moet u gewoon op “bekijken op youtube” klikken.

Afsluitend een vleugje muziek. Faya Younan zingt in haar taal, het Aramees: Darbo d-loqena:

En dit is het Aramese nationale lied: Marli o Nahro, gezongen n.a.v. de verjaardag van aartsbisschop Mor Theophilus George Saliba, van Syrisch-Orthodoxe kerk van Antiochië.

Het mooiste (militair) uniform

حلق سدد دينك نفسي hugo boss ss uniformen - porkafellas.com

Eerst krijgt u een geschiedenisles: hoe n.a.v. de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) alle Duitse mini-staatjes samensmolten tot één Duits Rijk, hoe daarbij het veelvoud van operettenuniformen verdween en vervangen werd door een functionele uniforme militaire kledij.

En dan komt de videomaker tot de conclusie dat hét mooiste uniform dat der SS was. De politieke, strategische, militaire conclusies die de videomaker uit, zijn niet per se de onze (… of de uwe?), maar hij vindt wel degelijk dat het SS-uniform boven alle uniformen uitsteekt qua stijl. Daarbij zet hij ook Hugo Boss uit de wind, die zichzelf na de oorlog en het overlijden van de vader, zichzelf heruitvond, die er op Nürnberg met een symbolische boete vanaf kwam wegens het inzetten van dwangarbeiders. De SS-uniformontwerper zou ene Karl Diebitsch zijn. In diens Wikipedia-CV wordt daar trouwens met geen woord over gerept.

Hugo Boss, 1924-1945: Die Geschichte einer Kleiderfabrik zwischen Weimarer  Republik und "Drittem Reich": Köster, Roman: 9783406619922: Amazon.com:  Books

Deze video heeft verder geen verdienste; de maker haalt de gekende feiten en vooroordelen aan. Maar dat SS-uniform heeft hem blijkbaar toch enorm geboeid, want zo stelt hij – kijk naar filmbeelden – keer op keer wordt de slechterik uitgebeeld in het zwart: een knappe verschijning, in een zwart maatuniform, stalen blik en bereid te doden, zonder scrupules.

Waarom we nu hierover iets publiceren? “Nichts für ungut”… We moesten denken aan mama zaliger, bij het uitbreken van WOII was ze nog een tiener, die vond dat ze nooit een mooier en/of gedisciplineerder leger gezien heeft dan het Duitse bij de intocht in Vlaanderen.