Jean Sibelius – Viool Concert in D Mineur Op.47

klassische-musikJean Sibelius componeerde zijn enige Vioolconcert in de jaren 1903, 1904 en 1905. De compositie kwam in twee fasen. Er waren geruchten over een tweede vioolconcert, maar sporen daarvan zijn niet teruggevonden.

Jean Sibelius rond 1913

Jean Sibelius ca. 1913

Sibelius was zelf begonnen als violist, maar werd niet goed genoeg bevonden (ook door hemzelf niet). De eerste tekenen dat Sibelius ideeën had voor een vioolconcert zijn terug te vinden in een brief van 18 september 1899 aan zijn vrouw. Sibelius bevond zich toen in Berlijn voor de eerste uitvoering van zijn vernieuwde versie En Saga. Rond die tijd ontmoette de componist Willy Burmester, een sterviolist in die dagen, die al eerder orkestmeester was geweest van het Helsinki Orkest.

Burmester bevond zich in Duitsland nadat hij het orkest verlaten had in 1895. Het ontstaan van het concert verliep uiterst moeizaam. Sibelius bevond zich steeds op een snijvlak van problemen; hij was van oorsprong Zweed (Zweden was lange tijd de baas in Finland), maar strever naar meer Finse onafhankelijkheid. Qua levenswijze stelde hij vaste regels op voor zijn omgeving om te kunnen componeren, maar verloor zich nog wel eens aan de alcohol. In 1903 werd aan het concert begonnen en Burmester leefde in de veronderstelling dat het werk voor hem werd geschreven en dat hij ook de eerste uitvoering in maart 1904 zou geven. Echter geldproblemen bij Sibelius zorgden ervoor dat de eerste uitvoering werd gegeven op een moment dat Burmester niet naar Finland kon komen. Burmester wilde de première in Berlijn geven. De uiteindelijke première vond plaats in Helsinki door Viktor Novacek op 8 februari 1904 (met herhalingen op 10 en 14 februari) met het Helsinki Orkest onder leiding van de componist. Novacek was destijds vioolleermeester aan de Helsinki muziekacademie, tegenwoordig Sibeliusacademie. Die uitvoeringen bleken een ramp; critici maaiden zowel de solist als het werk neer (“ronduit saai”) en ook Sibelius was er niet tevreden over. Burmester wilde aan de hand van de recensies wel naar Helsinki komen om een echte première te geven in oktober 1904, maar in juni had Sibelius het werk al teruggenomen. Deze versie verdween in de la.

In 1905 begon Sibelius aan een grondige revisie van zijn vioolconcert. De definitieve versie (1905) kwam in dat jaar gereed, met een oog gericht op de eerste uitvoering tijdens een concertreeks in Berlijn waarbij de dirigent Richard Strauss was. Beoogd solist: Burmester. Opnieuw kon de combinatie Burmester / Concert geen doorgang vinden; de solist had geen ruimte in zijn rooster. Op 19 oktober 1905 vond de eerste uitvoering plaats met als solist Karl Halír, het Berliner Philharmoniker onder leiding van Richard Strauss. Halír was de eerste violist van dat orkest. De tweede cadens in deel 1 werd geschrapt en het deel verloor meer dan 40 maten. Over het algemeen werd de eerste versie grover van opzet gevonden, meer richting Ludwig van Beethoven, de tweede was verfijnder. Sinds 1905 begon deze tweede een zegetocht langs de zalen en maakt deel uit van het standaardrepertorie aan vioolconcerten. Burmester zou het werk nooit spelen. Hij werd ook als opgedragene ingewisseld.

Het concert is op klassieke wijze opgebouwd, het bestaat uit drie delen:

  1. Allegro moderato (d mineur in ala breve)
  2. Adagio di molto (bes majeur in vierkwartsmaat)
  3. Allegro (ma non tanto) (d majeur in driekwartsmaat)

De muziek doet sterk denken aan de Finse meren, op sommige plekken zwart en rustig, op andere plekken vol beroering en licht. De vergelijking gaat dan naar lange in het gehoor liggende melodielijnen, waarbij de volle klank van de viool wordt benut tot aan het hoge register, opgevolgd door virtuoze passages, waarbij de violist vingers tekort lijkt te hebben.

Het eerste deel opent met zeer zacht pulserende strijkers. Het eerste thema in de soloviool wordt geëchood door de klarinet. Meer lage houtblazersnoten en de pauken begeleiden de viool daarna in een lange virtuoze passage met cadens-achtige arpeggio’s en dubbelgrepen. De strijkers komen daarna met het tweede thema, dat in een lange indrukwekkende cadens zijn doorwerking krijgt door de soloviool. In het coda komen alle thema’s nog eens terug, zowel in de viool als het orkest.

Het lyrische tweede deel begint met een korte introductie van het orkest, leidend naar een gezongen solo van de viool over een begeleiding van pizzicato strijkers, het eerste gedeelte ook omlijst met prachtige dissonante akkoorden in de koperblazers.

Het derde deel opent met het thema in de soloviool. Het bijna walsachtige tweede thema wordt weer gespeeld door het orkest, waarop de soloviool dit thema overneemt en varieert, met de nodige arpeggio’s en dubbelgrepen, waarin ook het eerste thema weer terugkomt. Nu is het orkest aan de beurt, begeleid door de soloviool met trillers en flageoletten. De spanning wordt door beide partijen nu opgebouwd naar het slot. Het concert eindigt in een arpeggio naar de hoge D, waarna het orkest helpt door het stuk met een eenvoudige unisono hoge D af te sluiten.

Klik op:
http://youtu.be/sCY-JYryRSw

 

 

Eén gedachte over “Jean Sibelius – Viool Concert in D Mineur Op.47

Reacties zijn gesloten.