Johan Sanctorum: Beatrix, Maxima en de Groot-Nederlandse gedachte

Johan SanctorumBeatrix, Maxima en de Groot-Nederlandse gedachte

Onlangs woonde ik een nieuwjaarsreceptie-met-lezing bij van het Algemeen Nederland Verbond, een vereniging die ijvert voor cultureel-taalkundige samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland. De hamvraag daarbij is, of dit ook tot een politieke toenadering zou kunnen leiden, eindigend in een soort staatkundige unie. Dat roept uiteraard de vraag op naar het voortbestaan van België: in Vlaanderen is de zgn. Groot-Nederlandse gedachte dan ook in hoge mate ingebed in de Vlaamse beweging.

In Vlaamsgezinde middens heerst enige nostalgie naar de 17 Provinciën van vóór de Acte van Verlatinghe (1581) waarmee het Noorden zich aan het Spaanse juk onttrok: het Wilhelmus staat in die middens obligaat op het repertoire. Maar deze historische 17 Provinciën omvatten heel de huidige Benelux (zie kaart), dus inclusief het huidige Brussel, Wallonië en Groothertogdom Luxemburg. Veel te ambitieus, dacht ik zo, in de huidige context: de Belgische francité zal de navelstreng met Frankrijk nooit laten doorknippen. De Groot-Nederlandse beweging zal het bezuiden de Moerdijk dus moeten doen met het huidige Vlaamse gewest,- met of zonder Brussel als Gordoniaanse knoop. En dan nog.

De cultuursector geeft niet thuis

Er valt beslist wat te zeggen voor een Vlaams-Nederlandse schaalvergroting, op cultureel maar ook op economisch vlak. Maar de spreker op die ANV-nieuwjaarsbijeenkomst repte met geen woord over een politieke unie, in het verlengde van een Belgische boedelscheiding. Dat is namelijk in België een subversieve gedachte (door de “staatsgevaarlijke” N-VA en Vlaams Belang verdedigd) die door de traditionele, “staatsdragende” partijen wordt afgezworen. Pleiten voor een Groot-Nederlandse staat is vloeken in de Belgische kerk. Het gaat dus vooralsnog over netwerken, samenwerking, waterverdragen, al dan niet rijdende sneltreinen, het uitreiken van prijzen, en dies meer: allemaal heel mooie maar tamelijk vrijblijvende missies die tot dito bloempotmomenten leiden, dikwijls met onze Minister-President Kris Peeters in de hoofdrol.

In de Vlaamse culturele sector is er alleszins weinig animo voor een al te enthousiaste alliantie met onze Noorderburen: daar heerst nog steeds het ordewoord dat België een dam is tegen het Vlaamse crypto-fascisme,- een motto dat al meer dan een halve eeuw meegaat, maar nog altijd springlevend is, als men Jan Fabre (op de foto intiem met Paola), Tom Lanoye of Kristien Hemmerechts observeert.

Hun loyauteit tegenover het Belgische regime, inclusief de monarchie, legt bij voorbaat een hypotheek op elke poging om de omtrekken van een nieuwe natie vast te leggen, waarin het Nederlands de voer- en cultuurtaal zou zijn. Voor deze Belgische patriotten is elke politieke implicatie van een taalkundige (Vlaams/Nederlandse) identiteit onbespreekbaar: de val van Antwerpen is hier nooit verteerd. Dus zijn ze gedoemd om steeds maar weer rondjes te draaien in een slecht begrepen Belgisch-Brussels kosmopolitisme waar uiteindelijk enkel de francofonie politiek baat bij heeft.

Deze blinde vlek van het Vlaamse cultuurwezen is een enorme handicap voor een neerlandofiele missie zoals het ANV ze koestert. In Vlaanderen boet de monarchie, als staatsvorm, nochtans met de dag in aan populariteit: de elite is in haar Belgicisme compleet geïsoleerd. Er is daarbij een toenemende convergentie tussen separatisme en republikanisme. Behoudens een handvol Orangisten (aanhangers van een soort Benelux-unie onder gezag van het Nederlandse koningshuis) zoals Siegfried Bracke, en enkele paleo-conservatieven genre Matthias Storme, is er in de brede Vlaamse beweging nauwelijks nog iemand te vinden voor een koninklijk staatshoofd.

Van twee, één: de algemene teneur is, dat een toekomstige Vlaamse staat zich als autonome republiek zal moeten aandienen in een heruitgevonden Europa. De regio’s zullen verzelfstandigen, de 19de eeuwse natiestaten verdampen. Voor relicten van het 18de eeuwse Ancien Régime lijkt er in dit proces geen plaats meer weggelegd.

Hoe slechter, hoe beter…

Slechte monarchen zijn een zegen voor republikeinen. De Franse Revolutie heeft haar versnelling gekregen omdat Lodewijk XV (“Après nous, le déluge”) er zo’n potje van maakte. Verlichte despoten zoals Frederik II van Pruisen daarentegen– militair genie, volksvriend, kunstenminnaar, vrijmetselaar, intimus van Voltaire, introduceerde de aardappel als basisvoedsel en schafte het lijfeigenschap af-, daar valt niet tegen te revolteren.

Onder het motto “hoe slechter, hoe beter”, kan men in het algemeen stellen dat extreme wantoestanden tot extreme reacties leiden, en zo tot een noodzakelijke omwenteling. Er was een vetsmeltersschandaal/dioxinecrisis nodig om onze voedselveiligheid op punt te stellen, en een Dutroux om de aandacht te vestigen op pedofiele netwerken. Dat is de dialectische visie op de geschiedenis in een notendop.

Koester dus uw vijanden. Heel de Vlaamse beweging heeft zich, vanaf pakweg 1918, duurzaam kunnen optrekken aan een monarchie die zich in essentie autistisch en wereldvreemd gedroeg. Vanaf de houding van Albert I na de eerste Wereldoorlog, tot aan het recente schandaal rond Fabiola en haar fiscale constructies: altijd vormde de francofone, ultra-katholieke, door sullige raadgevers gesouffleerde Coburg-familie een dankbare pispaal voor middelpuntvliedende krachten, vooral dus in Vlaanderen.

In zoverre zelfs dat men de Belgische monarchie als bondgenoten moet beschouwen voor het Vlaamse separatisme. De Wever en Annemans moeten bidden dat Filip het zo snel mogelijk overneemt,- iets wat diens familie en entourage ook terdege beseft, vandaar het steeds weer uitstellen van de troonsopvolging.

De zelfdestructieve spiraal van de Belgische monarchie is dan ook, meer dan enige politieke impuls, dé motor van het Vlaams-republikeinse gevoel. We genieten van hun geklungel, het mottenballenimago, de harkerige redes, de ingebouwde achterbaksheid van alle démarches, hun inschattingsfouten, nog versterkt door het flou artistique waarop hun schimmige relaties met de politieke wereld drijven (zie bv. het onvertaalbare “colloque singulier”). Alles wat zich in de periferie van dit dynastieke kluchtspel bevindt, wordt er mee door aangetast: de handelsmissies, de filantropische stichtingen, de “volksfeesten” in Laken. Al wie het opneemt voor de Coburgs, maakt er hun imago niet beter op, maar wordt integendeel zelf een hofnar: de monarchie is haar eigen besmettelijke karikatuur geworden. De dag dat België kiest voor het presidentschap is de Vlaamse beweging zo goed als vleugellam, dus duimen maar dat Filip het nog haalt en het komisch koningschap ten top kan voeren.

Vlaanderen en het Oranjegevoel: quid?

In Nederland is dat dus wel even anders. De huidige emoties rond de troonsafstand van de nu al legendarische bijenkoningin Beatrix (die zich veel meer met politiek bemoeide dan een Belgische vorst ooit zouden durven) doen er geen twijfel over bestaan: het Oranje-gevoel is springlevend en koningsgezind. Er is een republikeinse beweging in Nederland, maar ze stelt weinig voor: van links tot rechts luidt het dat de monarchie “het cement van de samenleving vormt”. Ook de troonsopvolgers, Prins Willem-Alexander en zijn gemalin Maxima, zullen hun public relations goed verzorgen, niet gehinderd door enige regimevijandige onderstroom zoals die in Vlaanderen wél leeft. Uiteindelijk is stamvader Willem van Oranje nog altijd de vrijheidsheld die de Noordelijke Nederlanden van het Spaanse juk ontdeed. Daar kan geen enkele anti-establishment-partij, PVV-Wilders of een andere, tegen op.

Biologisch schijnt het eveneens snor te zitten met die Oranje-Nassau-lijn: de Europese aristocratie leidt, via incestueuze bloedverwantschappen, spontaan tot degradatie,- het Belgische koningshuis is het beste bewijs-: Boudewijn en Fabiola slaagden er zelfs niet in, één exemplaar op de wereld te zetten. Maar de Nederlanders schijnen er door een geschikte teeltkeuze aan te ontsnappen. Let vooral op Maxima: uit haar vlezige Argentijnse lendenen gaan leuke kaaskopjes komen, geen mislukte drollen zoals Filip en Laurent, dus opvolging ginder verzekerd.

Ter afronding: persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat onze toekomst ligt in een Groot-Nederlandse natie. Cultureel en economisch kan dit alleen maar voordeel opleveren. Cultureel omdat we dan eindelijk (terug) naar een collectieve identiteit kunnen evolueren, voldoende homogeen én voldoende gevarieerd, door de bloei van een gemeenschappelijke taal. Economisch omdat die ons ondubbelzinnig in de invloedszone brengt van de sterke, Noord-Europese economieën die wellicht naar een aparte alliantie zullen evolueren.

Maar euh… Beatrix en Maxima zitten dus in de weg, sterke vrouwen met charisma. Het Oranje-gevoel zet een rem op een groter, 21ste eeuw verhaal. Behoudens een enorm schandaal, met tien keer de amplitude van Lockheed, krijgen we die Hollanders nooit in een republikeinse klik. Het inzicht dat hun monarchie de onze nog wel een tijd zal overleven, samen met het besef dat in Nederland niemand wakker ligt van het Vlaamse streven naar zelfbestuur (voor hen blijven we het land van de frieten, het bier en van Manneken Pis), maakt vooral überregio’s als Catalonië en Schotland tot onze primaire bondgenoten.

Samen met de grote familie in Laken, uiteraard, dat staat buiten kijf.

Johan Sanctorum

4 reacties op “Johan Sanctorum: Beatrix, Maxima en de Groot-Nederlandse gedachte

  1. Geachte redactie,
    Vergeef my dat ek nie in perfekte Nederlands aan u skryf, maar ek is seker alle Nederlandstaliges sal my Afrikaans begryp.
    Ek glo daar is 2 (onsigbare) kragte – teenpole – wat met mekaar meeding om die guns van die Nederlandse volk (of nasie).
    Aan die een kant is die internasionaliste wast probeer om alle verskille uit te wis. Onassimileerbare volke en nasies word gedwing om saam te smelt, ongeag die realiteite.
    Aan die ander kant van die middellyn is die nasionaliste, wat glo aan “Leef en laat leef”. Elke volk regeer oor homself, binne sy eie territoriale gebied.
    Ek is geen kenner op die gebied van Europese geskiedenis nie, maar die bietjie kennis en ervaring wat ek sedert 1972 van ons (die Afrikanervolk) stamlande (Duitsland, Nederland en Frankryk) opgedoen het, bevestig maar net my vermoede dat daar “internasionale kragte” teen ons ingespan word om volkstrots uit te wis.
    ‘n Goeie voorbeeld van bo-genoemde is die chaos wat in Suider Afrika heers. Die internasionale magte wil dat – almal wat in Suid-Afrika woon – een groot nasie moet word. Diegene wat al vir ‘n aantal maande of jare in Suid-Afrika gewoon het, sal verstaan waarna ek verwys.
    Afrikaners verwys graag na die voorbeelkd van “water en olie”. Ons teenstanders wil dat ons moet vermeng en een nasie word, maar dit is ‘n teorie wat nooit in die praktyk geslaag het nie, en ook nie in die toekoms sal slaag nie. Wanneer mens water en olie in ‘n houer plaas en die inhoud ‘n paar keer hard skud, sal die twee vir ‘n halwe sekonde met mekaar meng, maar dit sal nooit soos water en suiker meng nie.
    ‘n Duitse immigrant in die VSA het my in 1972 gevra waarom Suid-Afrika nie die VSA se voorbeeld kan volg en van apartheid ontslae raak nie. My reaksie was:”In Amerika tel die swartes ongeveer 10% van die totale bevolking. Oor die algemeen is die swartes, wat van Afrika afkomstig is, van ‘n laer klas as die Amerikaners van Britse en Europese herkoms. Dit is dus maklik vir 10% van die bevolking om OPWAARTS te integreer. In Suid-Afrika is die situasie presies die teenoorgestelde. Die mense van Europese herkoms is slegs 10%, terwyl die swartes meer as 80% van die bevolking is (die ander 10% bestaan uit bruinmense, en Suid-Afrikaners van Asiese herkoms). Geen bevolkingsgroep van ‘n Eerstewereldland sal bereid wees om AFWAARTS met mede landgenote te integreer nie. Dit sou onmoontlik vir die Europeërs wees om die massas swartes op te hef. Buitendien is die kultuurverskille té groot – swartes sal nooit soos Europeërs word nie, en omgekeerd.”
    Die Duitser was eers skepties oor my verhaal, maar sê toe:”As jou verduideliking 100% korrek is, dink ek dat ek met jou sal saamstem!”
    In Wes-Europa is die verskil in kulture veel minder as in Suider Afrika, maar dit is steeds té groot om te ignoreer. Arabiere en Wes-Europeërs kan eenvoudig nie saamleef nie. Afgesien van die 2 groepe se religeuse verskille, is daar ander ONOORBRUGBARE verskille!
    Mynsinsiens sou die ideaal wees dat Europa van alle “onassimileerbare” allochtone sou ontslae raak, en aan stamgenote in die buiteland die reg sal verleen om “naar huis terug te keren!”
    Vanselfsprekend moet die monarchale-stelsel ook uitgefasseer word, sodat daar slegs republieke in Wes-Europa kan bestaan.
    *Die Boere-Afrikaners bestaan natuurlik ook uit ‘n verskeidenheid, maar hulle was/is nog altyd assimileerbares gewees. Sommige Afrikaners bestaan uit 30% Nederlandse bloed; 30% Duitse bloed; 30% Franse bloed; en 10% ander Europese bloed. Ons stamlande hoef dus nie bang te wees dat die hele volk van 4-miloen op een stamland sal toesak (indien assiel aan ons mense toegestaan sou word) nie, want ons mense sal ons eweredig tussen die verskillende stamlande verdeel. Daar sal ook vele wees die liewer na Engelstalige lande sal wil emigreer. ‘n Land soos Nederland sal waarskynlik minder dan 1-miljoen Afrikaners daarheen lok. Eenmiljoen Afrikaners sou veel méér werd vir Nederland wees as die vele allochtone wat tans daar woon, en wat werkloos is – of wat in die gevangenis sit en teer op belastingbetalers se swaar verdiende geld.

  2. Met dank aan de reactie van Peter Murray.
    Ik noteer en onthoud dat een beschaafde (excuseer voor het woord) meerderheid zich zelden of nooit aanpast aan een onbeschaafde (sorry) minderheid.
    En … ‘Buitendien is die kultuurverskille té groot’.

Reacties zijn gesloten.